dinsdag 20 mei 2008

We mogen fier zijn !

Na heel wat drukke dagen is ons magazine 'Aminatou' helemaal af. Maanden, weken en dagen heeft onze redactie haar uiterste best gedaan om al het nieuws over West-Afrika bij te houden en te verwerken tot een goed geschreven artikel. Maar het werk hield veel meer in dat dat alleen. Research, vergaderen, mensen contacteren, interviewen, lay-outen, omgaan met de nodige druk, de uiteenlopende discussies … alles hoort er bij. Ook heel wat vrije tijd kroop naar ons magazine. Maar ik kan schrijven, in naam van heel de redactie, dat we steeds heel graag aan ons magazine gewerkt hebben. Het was, voor ieder van ons, een grote uitdaging maar ook een leerrijke ervaring. We hebben ontzettend veel bijgeleerd. Ook het aanmaken van onze blog speelt daarin uiteraard een belangrijke rol. We hebben geprobeerd om nieuws en leuke feiten te mengen tot één interessante blog over West-Afrika. Hopelijk hebben jullie ervan genoten en konden jullie heel wat informatie over West-Afrika terugvinden.

Stillaan kunnen we ons gaan concentreren op de examens...

Be Beneen!

Aminatou.

donderdag 15 mei 2008

"Een asielprocedure zou niet mogen bestaan"

“Een asielprocedure zou niet mogen bestaan.”
Peggy Cambré over haar ervaring in vluchtelingencentrum Fedasil.


Vluchten uit het land waar je geboren bent, het land dat je door en door kent, doe je niet zomaar. Je moet een goede reden hebben en geloven dat er je iets beters wacht dan daar. België kent voor politieke vluchtelingen enkele centra waar ze terecht kunnen tijdens de asielprocedure. Er zijn gesloten centra, daar zit iedereen gevangen tussen de hekken van het domein. Maar er zijn ook open vluchtelingencentra, zoals Fedasil in Ekeren. Peggy Cambré verzorgde er vroeger de animatie en kwam dus dagelijks in contact met de vluchtelingen. Ze staat echter niet achter de hele wetgeving rond de vluchtelingenprocedure.

Ik begon in Fedasil te werken als hoofdanimatrice. Daardoor had ik veel contact met de vluchtelingen. Ze vertelden me verhalen over hun thuisland. De positieve, maar ook de negatieve zaken kwamen dan aan bod. Dat werd emotioneel te zwaar voor me. Ik nam het mee naar huis en kon het niet van me afzetten. Het bleek gewoon veel te moeilijk voor mij om zo dicht bij de vluchtelingen te staan. Daarom koos ik voor een andere job in Fedasil. Nu bevorder ik de communicatie naar buiten toe. Dat houdt in dat ik enquêtes opstel, rondleidingen geef aan scholen, in contact sta met de pers enzovoort.

Fedasil is een open asielcentrum, daarom kunnen onze vluchtelingen binnen en buiten wanneer ze dat willen. Wel sluiten we onze poorten tussen 12 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens, dan moeten ze binnen zijn tenzij ze op voorhand toestemming gevraagd hebben. Omdat vluchtelingen niet mogen werken, hebben ze niet veel geld om te gaan winkelen of eens op café te gaan. De dagen zijn lang en de verveling slaat toe. Ze vragen daarom vaak om animatie. Jammer genoeg zijn er niet genoeg middelen om voldoende activiteiten te voorzien.

Om hen toch wat vrijheid te geven, laten we de vluchtelingen klusjes opknappen in het centrum. Zo poetsen ze de gangen of doen ze bijvoorbeeld de afwas. Ze worden daarvoor betaald, namelijk € 1,25 per uur. Dat is zo weinig omdat Fedasil tenslotte hun ‘thuis’ is op dit moment en iedereen toch wel van een net huis houdt. Daarnaast krijgen ze elke week wat zakgeld (volwassenen: € 6,60; kinderen: € 3,90) en maaltijdcheques (volwassenen: € 32,25; kinderen: ± € 12).

Nog niet zo lang geleden veranderde de asielprocedure. Vroeger verbleven vluchtelingen zes maanden tot tweeënhalf jaar in ons centrum. Na drie maanden hadden ze dan recht op geld van het OCMW. Nu mogen ze hier maximum zes maanden blijven. Na vier maanden wordt er een LOI, een Lokaal Opvang Initiatief, gesteld. Het is namelijk niet menselijk om personen langer dan zes maanden in een asielcentrum te laten verblijven. Met dat LOI kunnen ze, terwijl de asielprocedure nog steeds loopt, bij het OCMW een woning krijgen waar ze tot twee jaar kunnen verblijven. Ze krijgen dan ook maaltijdcheques en kledingbons.

Er zijn ook KB-illegalen, dat zijn vluchtelingen die niet in aanmerking komen voor asiel. Ze zijn geen politieke vluchtelingen en mogen niet langer in ons land blijven. Minderjarigen vormen hier een uitzondering op zolang ze naar school gaan. Met als gevolg dat, terwijl Belgische kinderen vol verwachting uitkijken naar de vakantie, vluchtelingenkinderen er doodsbang voor zijn. Tijdens de vakantie kunnen ze namelijk wel uitgewezen worden. Ze moeten dan binnen de vijf dagen het land verlaten.

Ik moet toegeven dat velen toch wel met nostalgie terugdenken aan hun geboorteland. De meesten wilden niet naar België komen. Ze houden van hun land maar zagen geen andere uitweg en hebben daarom alles moeten achterlaten. Ze missen hun familie, vrienden en huisdieren. Veel vrienden kunnen ze hier niet maken omwille van de taal. Hier zijn momenteel 19 nationaliteiten verdeeld onder 73 bewoners. We hebben in Fedasil Ekeren een capaciteit van 100 bedden. Er is geen plaats voor meer vluchtelingen.

De hulp die wij onze bewoners bieden bestaat uit de vier B’s: Bed, Bad, Brood en Begeleiding bij de procedure. Tot die laatste behoren tolken en advocaten. De bewoners moeten zelf hun verhaal vertellen. Uiteindelijk krijgt slechts 0,01 % een vergunning van een jaar om in ons land te blijven. Ondertussen begint het onderzoek pas ten gronde. Er wordt dan onderzocht waarom ze positief werden beoordeeld, of er oorlog is in hun thuisland en of de vergunning verlengd moet worden. Dat kan tot vijf maal gebeuren. Van de personen die uitgewezen worden, zijn het enkel alleenstaande mannen die hieraan kunnen ontsnappen. Voor hen is het makkelijk om te verdwijnen. Ze kunnen leven als daklozen. Op die manier vallen ze niet op.

Het is verschrikkelijk dat zo weinig mensen een positieve vergunning krijgen. De procedure moet zeker en vast veranderen. Als het aan mij lag, bestond er zelfs geen procedure. Iedereen moet welkom zijn en het OCMW mag geen uitkeringen meer geven. Iedereen die in België wil komen werken, moet die kans krijgen. Ook vluchtelingen hebben diploma’s. Wij mogen niet zeggen dat dit ‘ons land’ is enkel en alleen omdat wij hier geboren zijn. Als mensen niet in het regime willen leven waarin ze geboren zijn, moeten ze de kans krijgen elders heen te gaan. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat wij ons gaan aanpassen aan hun cultuur, dat is aan hen om te doen.

Er zijn enkele West-Afrikanen in ons asielcentrum, maar niet zo veel. De oorzaak daarvan is dat ze hier moeilijk geraken. Afrika ligt niet bij de deur en als Afrikanen naar België willen komen, moeten ze het vliegtuig of de boot nemen en dat heeft natuurlijk een prijs.

Ik geloof dat 90 % van de vluchtelingen hier op zijn plaats zit. Zij hebben een reëel probleem waarvoor ze vluchten. De andere 10 % profiteert van het gratis leven in dit asielcentrum.

Wanneer de vluchtelingen al in ons land zijn geweest en opnieuw een asielaanvraag indien, is het mogelijk dat ze naar een gesloten centrum gestuurd worden.

Bananenfrietjes !


Ziehier onze zelfgemaakte reclame voor bananenfrietjes

woensdag 14 mei 2008

West-Afrikanen en hun godsdienst

Het is bijzonder hoe de verschillende religies in West-Afrika naast elkaar kunnen leven. In West-Afrika blijft religie een grote rol spelen. Hoewel er nog een groot geloofsverschil bestaat tussen de verschillende West-Afrikaanse landen zijn er onderling geen godsdienstige conflicten.

In Senegal en Mali behoort de meerderheid van de bevolking tot de islam. In Ghana heeft vooral het christendom een grote aanhang. Toch houdt een deel van de West-Afrikaanse bevolking zich nog steeds vast aan de traditionele godsdiensten. Zo zijn enkele West-Afrikanen aanhanger van het animisme. Dat is een traditionele natuurreligie waarbij men gelooft in het al het aardse (bomen, dieren, stenen, …), geesten en voorouders. Niet enkel het animisme maar ook de voodoo-religie is een belangrijke godsdienst in West-Afrika. (Voor meer uitleg Voodoo-religie: kijk bij religie)

Sugar Jackson terug wereldkampioen

De Ghanees Sugar Jackson won zijn vierde Europese titel. Na 12 punten versloeg hij, op 3 mei, Viktor Plotnikov uit Oekraïne in de Lotto Arena. Heel wat Ghanese supporters maakten de Lotto Arena te klein. Sugar Jackson zijn overwinning werd goed gevierd. En er viel ook wat te vieren. Niet enkel zijn vierde 'Night of the fight' was binnen, Sugar Jackson werd daarbovenop door alle Europese boksbonden en -journalisten verkozen tot Europees Bokser van het Jaar.

"Kenners spreken van een fenomeen. Sugar moet naar de United States." Luister het radiofragment op Studio Brussel.

Hittegolf tijdens winter in West-Afrika

Misschien wist je wel dat het nu winter is in (West-)Afrika. Maar wist je ook dat er in de winter 'hittegolven' bestaan? In West-Afrika kan alles.

Een winter in West-Afrika betekent zachte temperaturen met heel wat regenbuien en koude wind. De gemiddelde temperatuur in het winterseizoen draait rond de 23 á 24 graden overdag. 's Avonds en 's nachts kan het afkoelen tot 17 graden. In de zomer daarentegen, liggen de temperaturen rond de 32 graden.

In januari dit jaar, was er sprake van een onverwachte, ongewone hittegolf in West-Afrika. En dat in de winter. Er waren temperaturen rond de 36 graden. Dat zijn temperaturen die hoger liggen dan in het zomerseizoen. De oorzaak van de ongewone temperaturen is de hete lucht uit de Sahara, die overgewaaide naar West-Afrika.

“Hello Salaminga”

Griet De Meyer ging 4 maanden naar Ghana voor ontwikkelingshulp

Ontwikkelingshulp de kans van je leven? Voor Griet De Meyer, afgestudeerd in Rechten, was dat zeker het geval. In september is ze naar Ghana vetrokken als vrijwilligster. 4 maanden heeft ze het dagelijkse leven van de Ghanezen van dichtbij gevolgd. Naast de projecten van CID Ghana, Co-operation for integrated Development, heeft ze zelf nog enkele projecten opgestart.

Griet De Meyer: Voordat we naar Ghana vertrokken, hebben we geld meegekregen om in duurzame projecten te investeren. Ze gaven het liever aan iemand persoonlijk dan aan een organisatie. Met dat geld hebben we verschillende projecten in het weeshuis opgestart. Zo hebben de weeskinderen allemaal een nieuw uniform en dagelijkse kleren gekregen. Verder hebben we een waterpomp gesponsord. De weeskinderen moesten daarvoor altijd water uit een put gaan halen. Dat is gevaarlijk want de kinderen kunnen erin vallen. Bovendien was het water niet afgedekt en kon het dus makkelijk vervuild worden. Voor de community van het weeshuis hebben we het parelhoenproject opgestart. Hierdoor kunnen de mensen eieren verkopen op de markt, waardoor de community een eigen inkomen kan genereren. Daarnaast zijn we nog met de direct assembly gaan praten zodat de lang beloofde afvalcontainer effectief bij de community geplaatst zou worden. Daarbij moeten de inwoners hun afval niet meer in het veld gooien.

Aminatou: Aan welk project van de organisatie heb je daar meegewerkt?

Griet De Meyer: De organisatie zoekt altijd iets in je eigen domein. Aangezien ik Rechten heb gestudeerd, zou ik meewerken in een advocatenbureau. Ik ben één voormiddag mee geweest naar de rechtbank. Ik heb daar gezeten en niets gedaan. Omdat ik dat niet zag zitten, ben ik direct iets anders gaan vragen. Ik heb dan twee maanden in een kleuterschooltje gewerkt in de stad Tamale. Daar moest ik de leerkracht helpen. Daarna heb ik een maand in een weeshuis gewerkt in het dorpje Gbeogo dat bij Bolgatanga hoort. Het was een nieuw project van de organisatie en ze zochten er nog mensen voor. Het was in de middle of nowhere maar dat weeshuis was nog het leukste.

Had je er veel vrije tijd?

Ja, iets te veel zelfs. In de kleuterschool kregen ze ‘s middags les. Dus in de namiddag waren wij vrij. Maar die kon altijd wel opgevuld worden door bijvoorbeeld naar de stad te gaan, mee te gaan naar iemand anders zijn workplace of door naar het openluchtzwembad te gaan. Toen we in het dorp Gbeogo zaten, was het de bedoeling dat we ’s middags met de kinderen activiteiten deden. Dus dan gingen we ’s morgens met de fiets of de bus, de troto, naar de stad om boodschappen te doen of om op het internet te surfen.

Je verbleef in een gastgezin. Hoe beviel dat je?

Het eerste gastgezin waar ik verbleef (in Tamale) was een beetje raar. Er was een grootvader, grootmoeder, een moeder met haar dochtertje en een neef. Zij hadden het gevoel dat ze mij heel gastvrij moesten behandelen. Ik had het gevoel dat ik in een hotel zat, wat ik wel lastig vond. Ze kregen van de organisatie geld (80 cedi) om kost en inwoon voor mij te betalen. Daardoor kregen ze het gevoel dat ze hard hun best moesten doen. Ik mocht niets doen. Maar uiteindelijk heb ik mij er bij neergelegd. Het was een deftig huis waar ooit stromend water was geweest. In het tweede gastgezin (in het dorp) leefde we in de community compound. Dat zijn hutjes. Onze gastvader was de directeur van het weeshuis en die was er altijd voor ons. Dat was heel fijn.

Waren die hutjes klein?

Dat idee hebben ze hier allemaal wel. (lacht) Maar onze hut was al rechthoekig met een golfplaten dak. Daarin wonen was wel leuk. Het was nog eens een ervaring. Sommige wonen nog wel in de ronde hutjes met rieten dak.

Viel het communiceren in het kleuterschooltje en het weeshuis mee?

Nee, dat was eigenlijk moeilijk. In het schooltje waren het allemaal kleine kinderen die geen Engels spraken. Zeker niet als ze uit armere gezinnen kwamen. De kinderen spreken hun eigen volkstaal en op school zouden ze Engels moeten leren. Dat heb ik ook geprobeerd met behulp van tekeningen met daarnaast het Engelse woord. Ik heb in die 2 maanden dat ik daar werkte wel een vooruitgang gezien bij die kinderen. In het weeshuis was het gemakkelijker. Daar was een meisje dat heel goed Engels sprak en die lieten we alles vertalen. De meesten kennen wel de basiswoordjes maar dan nog was het moeilijk.

Je hebt daar geen taal geleerd?

Nee, maar dat komt ook omdat er ongeveer 70 verschillende volkstalen zijn. Zo spreken ze in Tamale, waar ik eerst zat, Dagbani. Daar heb ik een initiatie van gehad. Ik heb dus “Hallo” leren zeggen maar ik weet niet meer hoe het was. (lacht) Ik kon het ook niet gebruiken in mijn gastgezin want zij spraken een ander dialect. Bovendien konden zij vrij goed Engels. In Gbeogo dat 200km verderop lag, spraken ze weer iets anders. De enige woorden die we hebben geleerd zijn “salaminga” en “obruni” wat blanken betekent in twee verschillende talen. Dat wordt je constant nageroepen: “Hello salaminga, samaminga hello!!”. En dan moet je braaf terugroepen. (lacht)

Wat zijn de gewoontes daar die je zijn bijgebleven?

Fufu stampen. Dat is een mengeling van Cassave en plantain (bakbananen). Ze koken dat eerst. Dan doen ze het in een grote houten pot en stampen ze het. Dat stampen gebeurt met een grote stok. Het dof bonken daarvan hoor je er constant.

Heb je België en de mensen hier niet te hard gemist?

Dat viel wel mee. We hadden daar onze gsm. Ik probeerde ook om minstens 1 keer per week op internet te komen en meestal lukte dat wel. Om de twee weken had ik zeker contact met thuis.

Wat heeft je eigenlijk aangezet om ontwikkelingshulp te gaan doen?

Ik had altijd gedacht om eens naar Afrika te gaan. Ik was daar nog nooit geweest. Daarnaast wou ik ook eens iets anders doen dan het studeren alleen. En op deze manier kon ik ook eens mijn steentje bijdragen.

Heeft het je levensvisie veranderd?

Daar heb ik precies niet over nagedacht. (lacht) Nee, maar ik had wel schrik dat ik als wereldverbeteraar zou terugkomen. Altijd denken: “Oh nee, die armoede daar.”. Maar dat is niet zo. Je denkt er nu misschien meer over na, en ik kan nu 20 keer meer genieten van een warme stromende douche. Je bent gelukkiger met de luxe die je hier hebt. Maar of het mijn levensvisie heeft veranderd? Nee, het is gewoon een super ervaring die ik heb gehad.